Recreatieve gebiedsontwikkeling

De structureel onderzoeker TRM functioneert binnen het Kenniscentrum Applied Futures – Open Time. Het onderzoeksproject ‘Recreatieve Gebiedsontwikkeling’ werd afgerond in 2014. 

Nieuw onderzoeksproject: Methodologische handvaten voor praktijkgericht toekomstonderzoek (zie Applied Futures vrije tijd).

I. RECREATIEVE GEBIEDSONTWIKKELING

(Afgerond project)

Onderzoeksopzet

Peri-urbane (randstedelijke) gebieden worden, met de toenemende verstedelijking en een ruimtetekort als uitgangspunt,  steeds vaker gezien als het nieuw potentieel speelterrein/ontspanningsgebied van de stedeling. Recreatie en leisure zijn een groeiende economische sector met naast de overheid ook private stakeholders die kansen zien in shopping- en leisurecentra. Leisure clusters, naar het model van de klassieke industriële clusters, doen wereldwijd hun intrede als een nieuwe economie met kernwoorden als innovatie, co-creatie en meerwaarde. In Brussel en de Brusselse rand worden verschillende gebieden geviseerd ikv de ontwikkeling van winkel- en leisurecentra. Door de groeiende vraag naar nieuwe recreatie- en vrijetijdsmogelijkheden komt de draagkracht van het buiten- en randstedelijk gebied echter onder druk. Zo blijkt het toekennen van de nodige vergunningen voor de ontwikkeling van UPlace in Vilvoorde/Machelen een heikel punt omwille van onder andere het mobiliteitsvraagstuk.

In de gecoördineerde versie van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV, 2011) worden de algemene principes voor toerisme- en recreatie vastgelegd: in buitengebied ligt het accent op kwalitatief recreatief medegebruik met respect voor draagkracht en kwaliteitsvolle verbetering van de bestaande infrastructuur. Voor uitbreiding van hoogdynamische toeristisch-recreatieve zones is geen ruimte meer. Maar wat met de peri-urbane zones in grootstedelijke gebieden? Hoe moet de visie van het RSV toekomstgericht en rekening houdend met alle maatschappelijke veranderingen worden vertaald?

Christel De Smedt: “Het doel van dit onderzoek is om meer inzicht te krijgen in duurzame recreatieve gebiedsontwikkeling teneinde recreatiemanagers bruikbare tips en advies aan te reiken in functie van hun betrokkenheid bij toekomstgerichte planning.

Onderzoeksvragen

Hoofdvraag:

  • Aan welke voorwaarden moet duurzame recreatie in peri-urbane gebieden voldoen?

Nevenvragen:

  • Welke kennis en visie omtrent duurzame recreatie is aanwezig in het werkveld?
  • Wat is ‘het werkveld’?

Exploratief onderzoek (2012-2013)

De recreatie en vrijetijdssector is zeer omvangrijk, breed georiënteerd en moeilijk te structureren. In de vakliteratuur worden diverse pogingen gedaan om domeinen en subdomeinen af te bakenen (Mulder, 2011). Een algemeen aanvaarde indeling bestaat er niet. Het exploratief onderzoek werd opgezet om na te gaan hoe recreatiedeskundigen uit diverse sectoren met de begrippen toerisme en recreatie omgaan. Uit diverse beleidsdocumenten blijkt immers dat de termen toerisme en recreatie vaak als synoniemen worden gebruikt. In het kader van een doelgroepgerichte en duurzame gebiedsontwikkeling is het echter nodig dat het onderscheid wordt gemaakt. Toerisme richt zich op bezoekers en formuleert doelstellingen met het oog op verkoopbaarheid en aantrekkelijkheid. Toeristische inrichtingen in de publieke ruimte hebben echter ook een grote impact op de lokale leefbaarheid. De dualiteit verduurzaming-economisering is duidelijk voelbaar in dat onderscheid tussen recreatie en toerisme.

In een eerste fase van het onderzoek  werden een aantal vragen voorgelegd aan de experts om te polsen naar hun kennis en omgang met de begrippen toerisme, recreatie, duurzame recreatie:

  1. Als er in uw werkveld over ‘recreatie’ gesproken wordt, waarover gaat het dan?
  2. Bestaat er volgens u een duidelijke begripsafbakening tussen toerisme en recreatie?
  3. Bestaat er een ‘recreatiesector’ en een ‘recreatiebeleid’ in Vlaanderen?
  4. Wanneer kan men spreken over duurzame recreatie?

Daarnaast werd ook de literatuur geraadpleegd om kennis te vergaren omtrent duurzame ontwikkeling, ruimtelijke planning, behoeften van gebruikers (toeristen en recreanten), recreatie- en leisureclusters.

In een tweede fase van het onderzoek werden vier Europese regio’s, waar sprake kan zijn van recreatieve gebiedsontwikkeling, vergeleken.

  1. Emscher Landschapspark Ruhrgebied (D)
  2. Pembrokeshire Wales (GB)
  3. Midpoint Leisure Boulevard (NL)
  4. Nationaal Park de Hoge Kempen (B)

In een laatste fase werd een experiment opgezet met studenten. Via projectwerk werden masterplannen omgevingsrecreatie  opgemaakt voor 3 opgelegde zones in de rand rond Brussel. Er werd een methodologie aangereikt en randvoorwaarden opgelegd (o.a. duurzaamheid).

Resultaten

1. Expertinterviews

2. Analyse van recreatiegebieden

3. Studentenopdracht