Tips & aanbevelingen

Duurzame recreatieve ontwikkeling vraagt draagkracht, draagvlak en daadkracht. In klassieke termen: 1. respect voor de fysieke en natuurlijke omgeving, 2. respect voor en betrokkenheid van lokale actoren en 3. economische impulsen.

Het gevoerde praktijkgericht onderzoek bestaande uit een literatuurstudie, expertinterviews, focusgroepen, case-analyse en eigen ervaring hebben geresulteerd in onderstaande algemene aanbevelingen.

Aandachtspunten bij duurzame recreatieve ontwikkeling in peri-urbane gebieden:

Peri-urbane gebieden (gebieden die voor werk, winkelen, e.a. activiteiten aangewezen zijn op een nabijgelegen stad) zijn alom aanwezig in Vlaanderen. In vergelijking met andere Europese regio’s is Vlaanderen één verstedelijkt of peri-urbaan gebied. De kenmerken van peri-urbane gebieden zijn een versnippering van landbouw-, woon- en werkgebieden met een sterke dooradering van verkeersinfrastructuur. Deze versnippering heeft een impact op de mogelijkheden en vooral beperkingen voor recreatieve gebiedsontwikkeling. Multifunctionaliteit vertaald in recreatief medegebruik is een uitgangspunt. Verkeersinfrastructuur zorgt vaak voor moeilijke barrières. 

  • Mobiliteit: Uit de analyse van verschillende cases blijkt dat een netwerk van recreatieve verbindingen essentieel is om duurzame recreatieve verplaatsingen mogelijk te maken. Men moet alle recreatieve plekken aan elkaar rijgen zodat recreanten te voet of met de fiets het hele gebied kunnen verkennen.  Het zal belangrijk zijn om missing-links weg te werken en zoveel mogelijk gebruik te maken van trage wegen langs groen-blauwe structuren. Een degelijk intern openbaar vervoer verhindert dat recreanten en toeristen de auto nemen om zich te verplaatsen. Idealiter worden de verbindingen ook gebruikt voor woon-werk/school verkeer binnen het gebied. Om dit te bereiken moet men aantakken op woonwijken, scholen en jeugdverenigingen zodat kinderen en jongeren zich veilig kunnen verplaatsen. Het netwerk voor trage weggebruikers wordt gebruiksvriendelijker en toegankelijker wanneer de verbindingen door een uniforme inrichting (en bewegwijzering) worden gevisualiseerd.
  • Omgevingskwaliteit: aandacht voor architectuur, groenbeplanting, uniformiteit en soberheid verhogen de belevingswaarde van het gebied. Een samenhangend of -werkend gebied heeft een (sobere) huisstijl nodig. Elementen die de belevingswaarde verstoren (zwerfvuil, vandalisme, rommel, lawaai, overdaad aan visuele prikkels) moeten worden geweerd of verwijderd. Een goede omgevingskwaliteit houdt ook rekening met de draagkracht van het gebied. Wat kan de regio aan? Naast ecologische bestaat er ook een economische, infrastructurele, sociale, perceptuele en fysische draagkracht. Introductie van een doordachte zonering (aangepaste ondergrond ifv recreatievormen, introductie van zones voor verschillende recreantenprofielen, padenplan, vergroening van de omgeving, …) zorgt voor een evenwichtige spreiding van recreanten en een grotere gebruikerstevredenheid.
  • Sociaal draagvlak: alle stakeholders moeten in de mate van het mogelijke en vrijwillig betrokken worden bij de realisatie van projecten en activiteiten. De stakeholders moeten niet alleen geïnformeerd, maar ook bevraagd worden over nieuwe ontwikkelingen. Er moet rekening gehouden worden met de behoeften of wensen van de lokale bevolking. Men kan meer draagvlak realiseren door de betrokkenen te laten samenwerken rond projecten.  Lokale ondernemers zijn medestanders in het globale verhaal, ze moeten mee voordeel halen uit de ontwikkelingen.
  • Return on investment: recreatieve gebiedsontwikkeling kan pas duurzaam zijn als nagedacht wordt over de baten van het project, niet alleen op sociaal en ecologisch vlak , maar ook op economisch vlak. De investeringen in een gebied moet de regio zelf ook ten goede komen door inkomsten en werkgelegenheid te genereren. De ROI situeert zich echter ook op andere vlakken: infrastructuur verbetering en natuurontwikkeling, verbetering van de (verkeers)veiligheid, de levenskwaliteit verhogen, het welbehagen en de algemene tevredenheid van de inwoners verhogen. Bij het opmaken van de plannen moet meteen ook nagedacht worden over concrete win-win mogelijkheden.
  • Samenwerking: “Samenwerking loont” is de titel van een boekje dat in 2012 uitgegeven werd door Provincie Oost-Vlaanderen. Hierin wordt de rol van de overheid uitgelegd in netwerkvorming tussen toeristisch-recreatieve ondernemers.  Die rol kan ook vervuld worden door een projectorganisator of projectbureau.  Uit het eigen onderzoek blijkt dat samenwerking een voorwaarde is om te kunnen innoveren. Betrokkenheid van de lokale bevolking en de lokale ondernemers veronderstelt samenwerking.  Projecten slagen pas als er overleg en samenwerking is tussen overheid, ondernemers, onderwijs, verenigingen, bewoners, bezoekers en sectoren. Recreatieve gebiedsontwikkeling is niet alleen het werk van stedenbouwkundigen, ruimtelijke planners en inrichters, maar ook van recreatiedeskundigen, economen, cultuurcoördinators, sportorganisators, mobiliteitsdeskundigen, … het is een interdisciplinaire opdracht.
  • Kennis & deskundigheid: duurzame ontwikkeling betekent dat men de impact van  de ontwikkelingen volgt en bijstuurt waar nodig. Dit zowel op sociaal, economisch als ecologisch vlak. Daarom is het aangewezen om monitoring en onderzoek te integreren in een meerjarenplan. De opgebouwde kennis en het cijfermateriaal kunnen gebruikt worden om het project bij te sturen. Daarnaast is het ook belangrijk inwoners op te leiden en de kans te geven de personeelsbehoeften zelf in te vullen. Een recreatiecluster of toeristisch-recreatief gebied vraagt gespecialiseerd personeel zoals landschapsonderhoud, gidsen, productontwikkeling, onthaal, horeca, …